Terug naar startpagina
Vegetatiebeheer = Bijenbeheer = Insectenbeheer = Biodiversiteitsontwikkeling
 

Sinds de invoering van het gebruik van kunstmest (1920) hebben we er een eeuw over gedaan om op het biodiversiteitsniveau te komen waar we nu zitten. We proberen dat iets te herstellen door onder meer het inzaaien van bloemenmengsels. Dat helpt wel een beetje, maar ik heb met enkele uitzonderingen nog geen ingezaaide bloemrijke begroeiingen gezien die het langer dan 5 (tot -10) jaar volhouden. Substantieel herstel van biodiversiteit duurt decennia.
Het gaat om de ontwikkeling van levensgemeenschappen waar wilde bijen deel van uitmaken. Dat wordt in de eerste plaats bepaald door de bodem en de onderlinge relaties tussen planten en dieren en ook tussen de planten onderling en de dieren onderling. De bodem selecteert de ecotypen.

Geef de natuur een kans
We moeten de natuur de kans geven om zijn eigen levensgemeenschappen te ontwikkelen. Maar om bepaalde levensgemeenschappen in stand te houden is er niet te ontkomen aan vegetatiebeheer. De natuur moet waar dat nodig is wel een beetje worden geholpen. Door zeer beperkt inzaaien met plantenzaden uit de directe omgeving. Dat gebeurde met geweldige resultaten in de periode rond 1980-1995 onder meer in Apeldoorn, Ede en Vlaardingen. Het vraagt meer tijd dan massaal uitzaaien van gekochte zaadmengsels, maar dat komt de biodiversiteit ten goede. Natuurlijk kan er op verschillende plekken in de stad of bebouwde kom voor honingbijen worden ingezaaid, maar doe dat dan niet op plekken die kansrijk zijn voor natuurlijke begroeiingen. En doe dat dan met zaad van biologische zaadtelers. De resultaten daarvan zijn meestal zeer snel. Voor substantiële resultaten van de ontwikkeling natuurlijk levensgemeenschappen moet je enkele decennia wachten. Maar in die periode zijn er ook al ontwikkelingen zichtbaar.
Extra aandacht voor wilde bijen in grazige vegetaties.
In Nederland zijn veel landschapselementen zoals weilanden, bermen en taluds van dijken, sloten en kanalen begroeid met grazige vegetaties. Veel bloemen die voor wilde bijen van belang zijn, komen door een beheer dat geen of te weinig rekening houdt met biodiversiteit niet meer in deze landschapselementen voor.
Om de aandacht hierop te vestigen, worden in de tabellen (G0) G1-G10 de bijen genoemd die op deze planten vliegen. Dat zijn dan ook de planten die in beperkte mate kunnen worden uitgezaaid of op enkele plekken kleinschalig kunnen worden aangeplant. Het zaad van deze planten kan zich vroeg of laat aanpassen aan de bodem.

Van heel groot belang zijn de beheerders die de vegetaties steeds in de gaten moeten houden en gemotiveerde personen die de maaimachine bedienen. Hierbij zijn steeds lichte maaimachines noodzakelijk. De grootte van de machines moet worden afgestemd op de draagkracht van de bodems. Dit geldt ook voor stevige zandgronden. De bovenste laag van de bodem wordt altijd verdicht.

Continuïteit in het beheer is een must. Zoek kansrijke plekken uit die ook bij eventuele bezuinigingen kunnen worden ontzien.